Gevlederde vrienden

Op het einde van het jaar starten we met een nieuwe rubriek in ’t Klokhuizeke namelijk de “gevlederde vrienden”. Waarom deze rubriek? Maar weinig mensen beseffen dat vleermuizen heel bijzondere dieren zijn en een belangrijke plaats innemen in de natuur.
onbekend = onbemind
Daarom zal je in de komende rubrieken meer te weten komen over hoe ze leven, hoe ze jagen, welke soorten zijn er, hun verblijfplaatsen, enz met betrekking tot onze inheemse soorten.

Geschiedenis van de vleermuis
Er zijn resten van vleermuizen gevonden in aardlagen die 55 tot 60 miljoen jaar geleden gevormd zijn. Het enige verschil met nu en toen is dat ze toen nog twee vingers hadden die los waren van de vleugel. Doordat de vleermuizen al zo lang bestaan en kunnen vliegen komen ze bijna overal voor. De vleermuis heet zo omdat ze in de 16de eeuw dachten, dat de vleermuis een kruising was tussen een vogel en een muis, maar dat is niet zo.

Verschillende soorten en orde
Vleermuizen onderscheiden zich van alle andere zoogdieren door hun ongebruikelijke aanpassingen. Ze zijn de enige zoogdieren die “echt “ kunnen vliegen. Andere zoogdieren waaraan vliegvermogen toegeschreven wordt (zoals de vliegende eekhoorn), zijn echter beperkt tot zweefvluchten. Ze kunnen geen hoogte winnen met vleugelslagen. Dat kunnen vleermuizen alleen en dit omwille van het feit dat hun vingers zijn opgenomen in de vlieghuid. Om deze reden heeft de orde van vleermuizen de naam “Chiroptera” (wat handvleugeligen betekent) gekregen.
Men onderscheidt twee grote groepen vleermuizen. De “megachiroptera” en de “microchiroptera” dus de grote handvleugeligen en de kleine handvleugeligen.

Megachiroptera
Ze worden ook wel eens vliegende honden of kalongs genoemd. De grootste heeft een spanwijdte van 1,70 meter en weegt net geen kilo. Dit zijn tropische soorten, die zich voeden met fruit in het bijzonder. Maar sommige hebben zichzelf gespecialiseerd in nectar en zijn belangrijke bestuivers van enkele tropische fruitsoorten. Ze gebruiken geen echolocatie, maar hebben grote ogen en vinden hun weg op zicht in plaats van op geluid. Deze komen alleen maar voor in Azië, Afrika, Australië en sommige eilanden van Oceanië.

Microchiroptera
De meeste kleine vleermuizen behoren tot onze inheemse soorten. Het zijn echte jagers en insecteneters, dat zie je dan ook aan hun voorkomen. Ze hebben een korte gedrongen snoet en vlijmscherpe tandjes. Groot zijn ze meestal ook al niet, want hun jachtwijze is enorm energieverslindend voor hun levensstijl.

Het leven van vleermuizen
Ondanks hun vreemde voorkomen en de bijhorende misverstanden, zijn vleermuizen inderdaad echte zoogdieren. Ze vertonen alle kenmerken die typerend zijn voor zoogdieren: ze zijn warmbloedig, hebben uitwendige oren, hebben een vacht en werpen levende jongen, die ze zogen. Binnen deze groep zijn ze best wel goed vertegenwoordigd. Wereldwijd zijn er zo’n 1140 soorten gekend. Daarmee vormen ze na de knaagdieren de tweede grootste orde van zoogdieren op onze planeet, goed voor 25% van alle zoogdieren. Onze inheemse soorten zijn beperkt tot zo’n 21. Tot voor kort, want er is een nieuwe soort bijgekomen de “nimfvleer-muis” (Myotis alcathoe). Zo komen we tot 22 soorten. Deze worden verder ingedeeld in twee families. De hoefijzerneuzen (2 soorten) en de gladneuzen (19 soorten verdeeld over 6 geslachten).

Hoefijzerneuzen
Deze onderscheiden zich van gladneuzen door de aanwezigheid van een hoefijzervormig aanhangsel op de snuit. Hiermee zenden zij hun ultrasone geluiden uit. Zo hoeven ze dus niet uit te roepen zoals de gladneuzen. Dit heeft het voordeel dat ze voort kunnen de omgeving afspeuren terwijl ze hun prooi opeten. Hun oren hebben een brede basis en zijn spits toelopend naar boven toe en hebben geen tragus (= uitsteeksel binnen het oor dat alle gladneuzen kenmerkt). Hun staart is vrij kort en volledig opgenomen in de staartvlieghuid en lijkt zo één geheel te vormen met de vleugels. Naast de twee melkklieren hebben de vrouwtjes verder een paar zogenaamde valse tepels in het bekkengebied waaraan de jongen zich tijdens de eerste dagen na de geboorte kunnen vastklampen. Hoefijzerneuzen overwinteren op relatief warme plaatsen, dwz diep in grotten, mergelgroeven of ondergrondse forten. In winterslaap hangen ze steeds vrij. Ze kruipen dus nooit in kieren en spleten, zoals de meeste gladneussoorten. Ze hebben ook de gewoonte om hun vleugels als een mantel rond het lichaam te vouwen, waardoor er een peervorming silhouet ontstaat. De populaties van de hoefijzerneuzen zijn de laatste 30 jaar sterk afgenomen en ze zijn nu zo goed als uitgestorven bij ons. Binnen deze hoefijzerneuzen onderscheidt men onder andere nog de grote en de kleine hoefijzerneus. De kleine werd al meer dan 10 jaar geleden voor het laatst waargenomen en gaat in heel Europa sterk achteruit. De grote hoefijzerneus doet het in Wallonië nog wat beter, maar toch ook niet erg denderend.

Gladneuzen
De gladneuzen stoten in tegenstelling tot de hoefijzerneuzen hun sonargeluiden vanuit de mond uit. Binnen het oor bevindt zich een soort mini-oortje (= de tragus). Deze verschilt sterk van vorm en grootte naargelang de soort. De functie van de tragus is onduidelijk, men vermoedt dat het met het ontvangen van de ultrasone geluiden te maken heeft. De snuit heeft geen neusuitsteeksels. Alle soorten hebben een lange staart, die volledig of tot de laatste twee staartwervels in de staartvlieghuid is opgenomen. In rust worden de vleugels zijdelings langs het lichaam gevouwen. De staart wordt in rust over de buik gevouwen. Behalve door te vliegen kunnen gladneuzen zich ook voortbewegen door te springen met korte sprongetjes, door te rennen en te klimmen. Gladneuzen kunnen ook van de grond wegvliegen, doordat ze zich van de grond kunnen oprichten om een klein sprongetje te maken, waardoor de luchtweerstand onder de vleugels kan komen.

Bronnen:
Vleermuis, Natuurpunt Educatie (Kris Boeckx & Joeri Cortens)
Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noordwest- Afrika, Tirion (Christian Dietz, Otto Von Helversen en Dietmar Nill)

Foto = Grootoorvleermuis (plecotus auritus )